Zekeren van zwaar materieel

  • Bepaal vooraf welke zekeringmethode het best past bij de lading (opsluiten, fixeren, direct zekeren, neersjorren, vastzetten met twist-locks of combinaties van deze).
  • Bevestig de zekeringsmiddelen enkel aan die delen van het materieel die sterk genoeg zijn om weerstand te bieden aan de belasting waaraan ze zullen worden blootgesteld.
  • Reinig het materieel voor het laden van al het loszittende vuil.
  • Zorg dat de oprijplaten, de banden van de machine en de laadvloer van de trailer vrij zijn van olie, vet, ijs,enz. zodat het materieel niet kan wegglijden.
  • Machines met wielen en lichte rupsbanden worden zo gezekerd dat het stuiteffect veroorzaakt door schokken op de weg tegengegaan wordt.
  • Plaats de machine zo op de dieplader of aanhanger dat beweging naar voren zo veel mogelijk wordt uitgesloten, bijvoorbeeld door opsluiten tegen een deel van de romp van de dieplader of kopschot van de aanhangwagen.
  • Het gebruik van alleen een handrem is niet voldoende. Extra zekering blijft altijd noodzakelijk.
  • Zeker de machine tegen beweging naar voren met spankettingen of spanbanden die een sterkte hebben van minimaal 80% van de massa van het gezekerde materieel.
  • Zeker de machine tegen bewegingen naar achteren en opzij met spankettingen of spanbanden die een sterkte hebben van minimaal 50% van de massa van het gezekerde materieel.
  • Zorg voor spanmiddelen met een spanelement.
  • Zeker alle beweegbare onderdelen van het materieel zoals gieken en verwisselbare uitrustingsstukken.
  • Zorg ervoor dat deze in de positie staan die door de fabrikant wordt aanbevolen voor het transport.
  • Gebruik de spanogen van het materieel en / of zeker volgens de instructies van de fabrikant.
  • Plaats het materieel en alle losse onderdelen zo dat de wettelijk toegestane maximale aslasten niet worden overschreden en het voertuig veilig te besturen is.
  • Maak eventueel gebruik van antislipmatten om de wrijvingsweerstand te vergroten.
  • Zet ook gereedschapskisten, andere voorwerpen en toebehoren in de cabine of op de machine vast.
  • Stel het bedieningspaneel zodanig in, dat geen enkele van de onderdelen kan bewegen tijdens het transport.
  • Voorzie lading die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt van een markering. In lengte ondeelbare lading die meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt aan de voorzijde en de achterzijde voorzien zijn van lengtemarkering.
  • De breedtemarkering moet bestaan uit een vierkant bord van ten minste 0,42 m bij 0,42 m, of een rechthoekig bord van ten minste 0,28 m bij 0,56 m of 0,14 m bij 0,80 m, voorzien van parallel lopende diagonale strepen die afwisselend wit en fluorescerend of retroreflecterend rood zijn, en een breedte hebben van niet minder dan 0,07 m en niet meer dan 0,10 m.

Markeringsborden

  • De lengtemarkering moet bestaan uit een vierkant bord van ten minste 0,42 m bij 0,42 m, voorzien van parallel lopende diagonale strepen die afwisselend wit en fluorescerend of retroreflecterend rood zijn, en een breedte hebben van niet minder dan 0,07 m en niet meer dan 0,10 m.
  • Controleer voor het vertrek de breedte en hoogte van de lading en de ruimte tussen de onderzijde van dieplader en het wegoppervlak.
  • Controleer de vervoerde machine, nadat het voertuig een korte afstand heeft gereden, dit om te zien of er niets is bewogen en of de zekeringsmiddelen helemaal vastzitten.
  • Rij soepel, dat wil zeggen: pas de snelheid aan de omstandigheden.
  • De volgende richtlijnen zijn van toepassing voor mobiel materieel –voertuigen uitgerust met hijstoestellen, werkbakken, steunpoten en dergelijke:
  • Hoge ladingen kunnen een gevaar vormen voor bomen, viaducten, bruggen, aquaducten, enz.
  • Zorg dat de bestuurder de hoogte en de breedte van het voertuig kent en deze afmetingen bij zich heeft.
  • Alle beweegbare onderdelen moeten in de positie worden geplaatst en vergrendeld, zoals aangegeven in de gebruikshandleiding.