Zoönosen, beroepsgerelateerde infectieziekten en insectenbeten en -steken

Zoönosen, beroepsgerelateerde infectieziekten en insectenbeten en -steken

Goedgekeurd door Sociale Partners
Getoetst door Inspectie SZW

 

Eikenprocessierups

Sommige ziektes kunnen overgaan van dier op mens. Deze ziektes worden zoönosen genoemd.

Medewerkers in het groen kunnen gestoken of gebeten worden door een wesp, horzel, blinde vlieg, bij, hommel, teek of vleermuis. Ook kunnen ze in contact komen met de brandharen van de eikenprocessierups. Daarnaast kan er door een kleine huidverwonding een infectie ontstaan zoals tetanus of hepatitus B. Speciale risico’s zijn toxoplasmose, leptospirose, hantavirus, hondsdolheid, ziekte van Lyme, vossenlintworm en Q-koorts.

De schadelijke gevolgen voor de gezondheid kunnen variëren van licht tot ernstig. Hoewel de kans op besmetting met de vossenlintworm in Nederland nog klein is, kunnen de gevolgen groot zijn. Aandacht voor preventie van zoönosen en tijdige behandeling bij incidenten is daarom van belang.

Knelpunten

Blootstelling aan beroepsgerelateerde infectieziekten en insectenbeten kan schade aan de gezondheid veroorzaken. De risico’s zijn niet altijd voldoende bekend.

Medewerkers kunnen allergische reacties krijgen.

Medewerkers zijn niet op de hoogte van het juist toepassen van preventiemaatregelen, het gebruik van de hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen.

Organisaties hebben geen preventieve aanpak, maar reageren pas als zich incidenten voordoen.

Registratie van incidenten vindt onvoldoende plaats.

De brancheafspraken

Maak een beleid voor beroepsgebonden infectieziekten en insectenbeten in de werksituatie.

Geef medewerkers voorlichting over beroepsgebonden infectieziekten en insectenbeten.

Zorg dat medewerkers infectieziekten en insectenbeten herkennen en op de hoogte zijn van het juist toepassen van preventiemaatregelen.

Zorg dat zij de geboden hulpmiddelen (o.a. bij allergische reacties) en persoonlijke beschermingsmiddelen kunnen gebruiken en er bij de planning van hun werk rekening mee houden.

Zorg voor een goede registratie van incidenten en voor een inentingsbeleid.

Toelichting op de maatregelen

Organisatie en voorbereiding

Voorkom blootstelling.

  • Neem beroepsgebonden zoönosen, infectieziekten en insectenbeten mee in de risico-inventariatie en -evaluatie (RI&E).
  • Maak hiervoor een beleid inclusief: registratie van incidenten, een inentingsbeleid en mogelijkheden voor medische controles door medewerkers.
  • Zorg voor een registratie van incidenten en voor een inentingsbeleid.
  • Denk na over de planning van het werk in de periode van het jaar.
  • Vermijd risicovolle werkplekken zo veel mogelijk en zet op deze plekken zo min mogelijk mensen in.
  • Denk ook aan plaagdierwering en -bestrijding en eventueel hygiënische maatregelen.
  • Zorg dat iedereen de kleding op de juiste wijze draagt: shirts met lange mouwen en lange broeken.
  • Voorkom direct contact met zieke/dode dieren door het dragen van sluitende kleding en handschoenen.
  • Zorg voor de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen.
  • Laat medewerkers niet eten, drinken of roken tijdens het werk. Besmetting gaat vaak via de handen naar de mond. Zorg voor schone handdoeken of wegwerphanddoekjes.
  • Verzorg wondjes door ze te reinigen en te ontsmetten. Dek ze daarna af.

Opleiding en instructie

  • Zorg dat de medewerkers op de hoogte zijn van risicovolle situaties, het juist toepassen van preventiemaatregelen, en het gebruik van hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen
  • Zorg dat medewerkers die extreem allergisch kunnen reageren op insectenbeten altijd antistoffen bij zich dragen. De leiding en collega’s moeten hiervan op de hoogte zijn en weten hoe de middelen moeten worden toegediend.

Persoonlijke beschermingsmiddelen/hulpmiddelen

  • Beoordeel steeds welke persoonlijke beschermingsmiddelen nodig zijn en zorg ervoor dat ze beschikbaar zijn.
  • Zorg dat de betrokkenen voorlichting ontvangen over het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen.
  • Geef duidelijk aan dat het deelnemen aan de voorlichting verplicht is.
  • Zorg voor de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen. Zorg in ieder geval voor huid- en/of adembeschermingsmiddelen.
  • Draag handschoenen bij het opruimen van zwerf-/straatvuil en dode en zieke dieren.
  • Zorg ook voor een tekenverwijderaar en insectenwerende middelen.
  • Zorg voor een speciaal vacuümpompje (in de EHBO doos) waarmee, via de huid, door een insect ingespoten speeksel uit het lichaam verwijderd kan worden.

(Na)zorg bij incidenten

  • Spreek met medewerkers af dat zij incidenten melden. Houdt hier een registratie van bij, zodat altijd nagegaan kan worden of een bepaalde ziekte of reactie kan worden verklaard door een incident.
  • Als iemand ziek wordt na contact met zieke/dode dieren, zorg dat de huisarts zo snel mogelijk wordt geraadpleegd. Bij vroegtijdige diagnose zijn veel zoönosen goed te behandelen. Als een medewerker te lang wacht, kunnen er (langdurige) klachten blijven.

Wat u verder nog moet weten

  • De brandharen van de eikenprocessierups zijn irriterend voor mensen. Tussen half mei en eind september bezorgt de rups de meeste overlast. Maar ook brandharen uit oude nesten kunnen nog lang overlast geven. Uitgebreide informatie is te vinden op de website van Stigas.
  • Tijdens de steek laat een bij of wesp gif achter in de huid van het slachtoffer. Bij de meeste mensen laat zo'n steek een rood, gezwollen bultje achter dat wat jeuk veroorzaakt. Na een paar uur zijn de klachten vaak al verdwenen. Jaarlijks geeft bij meer dan een half miljoen Nederlanders een dergelijk beet echter aanleiding tot meer lichamelijke klachten. Dit gebeurt bij mensen die een allergische reactie vertonen. Een dergelijke reactie kan pas ontstaan als men al eens eerder in aanraking is geweest met het insectengif. Bij de eerste steek zal men meestal niet zo extreem reageren. Vaak weten mensen wel dat ze allergisch reageren op bijen- en wespensteken en zullen zij hiervoor een noodset bij zich dragen. Meer informatie in de bijlage.
  • Door een beet van een vleermuis kan men besmet worden met rabiës (hondsdolheid). De kans om gebeten te worden is klein. Maar na een beet is een bezoek aan een arts noodzakelijk. Meer informatie over rabiës is te vinden op de website van het RIVM.
  • Door contact met scherpe delen in de grond of een andere huidverwonding kan een infectie ontstaan zoals tetanus. Tetanus komt o.a. voor bij mest van dieren en straatvuil. Ook een beet van dieren kan leiden tot een tetanusinfectie. Buitenwerkers wordt aanbevolen om zich te laten vaccineren. Meer informatie over vaccinatie en over tetanus.
  • Contact met materiaal of instrumenten die met bloed zijn verontreinigd (naalden van drugsgebruikers etc.) kan leiden tot een Hepatitis B-besmetting. Meer informatie over Hepatitis B is te vinden op de website van het RIVM.
  • Q-koorts komt voor in besmette mest, stalstof en ruwe wol van kleine herkauwers zoals geiten en schapen. Besmetting kan plaatsvinden via stof of waternevel. Meer informatie is te vinden op de website van Stigas.
  • Minder frequent voorkomende risico’s zijn o.a. toxoplasmose en het hantavirus. Over deze infectieziekten is informatie is te vinden op website van het RIVM.

Meer informatie