Daktuinen

Daktuinen

Goedgekeurd door Sociale Partners
Getoetst door Inspectie SZW

Werken op daktuinen brengt risico’s met zich mee, vooral bij het betreden of het belopen van het dak. Ook lichtkoepels, dakramen en op het dak geplaatste installaties kunnen valgevaar opleveren. Voor andere werkzaamheden op hoogte kunt u het onderwerp “Werken op hoogte” uit de arbocatalogus raadplegen.

Wat is de gewenste situatie?

Het werken op daktuinen vindt veilig plaats.

Maatregelen

Inventariseer de risico’s en stel de te nemen maatregelen vooraf vast.

Stem de kennis en ervaring van medewerkers af op de risico’s van het werk.

Toelichting op de maatregelen

Organisatie en voorbereiding

  • Werk met een ervaren en bij voorkeur opgeleide projectverantwoordelijke, zowel in de voorbereiding als tijdens de uitvoering.
  • Beoordeel vooraf hoe het werk op een daktuin veilig kan plaatsvinden. Maak een project risico-inventarisatie. Maak hierbij duidelijk verschil tussen de risico’s en beheersmaatregelen bij de aanleg of het onderhoud van een daktuin. Denk daarbij aan:
    • Een veilige toegang tot het dak via steigers, personenliften of trappen / ladders.
    • Hijsvoorzieningen voor het transport van materiaal, materieel en gereedschappen naar de werkplek.
    • De draagkracht van het dak en de plaats waar materiaal en materieel neergezet kan worden.
    • De eventuele helling van het dak.
    • De eigenschappen van lichtkoepels, dakramen en technische installaties.
    • Mogelijke vluchtroutes.
    • De collectieve veiligheidsvoorzieningen zoals een steiger; een vast hekwerk, een leuning of een vangnet.
    • De individuele beveiliging zoals een vast bevestigingspunt en een positioneringslijn die het werkgebied begrenst of een valbeveiliging.
    • Werkvolgorde en struikelgevaar.
    • Fysieke belasting tijdens de uitvoering van het werk.
    • Mogelijkheden tot machinaal aanbrengen van vegetatie en drainagematten, substraat, grind of bestrating.
    • Houd rekening met de veiligheid van derden en zorg ervoor dat zij geen toegang hebben tot het dak tijdens de werkzaamheden of bij onderbreking van de werkzaamheden.
  • Neem maatregelen tegen valgevaar. Dit moet vanaf een hoogte van 2½ meter. Bij risicovolle omstandigheden (bij water, verkeersweg, uitstekende delen, e.d.) moet het valgevaar ook worden voorkomen bij een valhoogte van minder dan 2½ meter.
  • Zorg voor:
    • Collectieve valbeveiliging, zoals een vast hekwerk of een tijdelijke dakrandbeveiliging.
    • Persoonlijke valbeveiliging als een collectieve onmogelijk is. Zie verder onder hoofdstuk Persoonlijke beschermingsmiddelen.
    • Zwemvesten bij werken op of langs het water.
  • Zorg dat alle middelen tijdig op het werk aanwezig zijn.
  • Instrueer de medewerkers over het gebruik van de middelen.
  • Maak een op de situatie afgestemd reddingsplan voor het geval dat een medewerker ten val is gekomen. Dit is nodig omdat er na een val zeer snel een levensbedreigende situatie kan ontstaan.
  • Verplaats materiaal en materieel op een veilige wijze naar het dak en houd rekening met:
    • Verkeer en omstanders.
    • Gebruik van goedgekeurde hijswerktuigen en middelen.
    • Zet het werkgebied af.
    • Stel hijsmiddelen stabiel op.
  • Bespreek de risico’s, maatregelen en bijzonderheden met alle betrokkenen.
  • Voer het werk met minimaal twee personen uit.
  • Houd rekening met de weersomstandigheden. Voorkom werken bij harde wind op de werklocatie. Als vuistregel wordt aangehouden dat bij windkracht 7 gewerkt kan worden op een hoogte van maximaal 3 meter, bij windkracht 6 kan worden gewerkt tot maximaal 10 meter hoogte en bij windkracht 5 of minder kan ook op grotere hoogten dan 10 meter worden gewerkt.
  • Bij sneeuw en ijzel, hevige regenval en hagel niet op het dak werken.

Gereedschap, machines en apparaten

  • Zorg dat alle middelen CE gemarkeerd en gekeurd zijn en goed onderhouden worden conform de gebruikshandleiding.
  • Stel arbeidsmiddelen buiten gebruik als: merken, herkenningstekens e.d. niet meer te lezen zijn of als er gebreken, vervormingen of beschadigingen zijn. Let daarbij ook op kabels, slangen en koppelingen.
  • Zorg dat een ladder minimaal 1 meter boven de dakrand uit steekt.
  • Voorkom dat de ladder weg kan schuiven; borg de ladder.

Opleiding en instructie

  • Zorg dat medewerkers opgeleid zijn en kennis hebben over het werken op daktuinen en de middelen die bij dat werk gebruikt worden. Betrek hierbij ongevallen en bijna-ongevallen die hebben plaatsgevonden bij het werken op daktuinen.

Persoonlijke beschermingsmiddelen

  • Werk met veiligheidsschoeisel met stroef profiel.
  • Zorg dat de persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt worden conform de afspraken.
  • Controleer de middelen vóór gebruik.
  • Gebruik geen beschadigde persoonlijke beschermingsmiddelen.
  • Gebruik een positioneringslijn alleen als gebiedsbeperking op vlakke daken en nooit in situaties waarbij een val mogelijk is. Met de juiste lijnlengte moet voorkomen worden dat iemand in een valgebied terecht komt.
  • Als niet te voorkomen is dat men in een valgebied kan komen, is een positioneringslijn ongeschikt en moet individuele valbeveiliging gebruikt worden.
  • Check of de individuele valbeveiliging bestaat uit de volgende drie delen:
    • een vast, stevig en gecertificeerd bevestigingspunt voor de beveiligingskabel;
    • een harnas dat de medewerker via een kabel verbindt met het bevestigingspunt; en
    • een valstopapparaat of valdemper.
  • Controleer of alle middelen CE gemarkeerd en gekeurd zijn en voor gebruik gecontroleerd worden.

Wat u verder nog moet weten